T.a.v de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag
bestuursrecht@rechtspraak.nl

Betreft: Verzoek voorlopige voorziening SDE++-subsidie RWE Nederland – Stichting Comité Schone
Lucht

Comite Schone Lucht versus de Minister van Klimaat en Groene Groei
vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Datum: 13 februari 2026

1. Inleiding en verzoek
Namens verzoekster, Stichting Comité Schone Lucht (hierna: CSL), wordt de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb, strekkende tot:
het schorsen van (verdere) subsidie-uitbetalingen op grond van de SDE++-regeling voor het gebruik van vaste biomassa door RWE Nederland, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht, totdat op het bezwaar tegen het besluit van de Minister van 23 januari 2026 is beslist.

Dit verzoek hangt samen met het door CSL ingediende bezwaar tegen het besluit waarbij het handhavingsverzoek van CSL niet in behandeling is genomen wegens vermeend ontbreken van belanghebbendheid.

2. Feiten en achtergrond
RWE Nederland ontvangt SDE++-subsidies voor de bij- en meestook van vaste biomassa in onder meer de Amercentrale en de Eemscentrale.
CSL heeft samen met Stichting Biofuelwatch een verzoek om handhaving ingediend, gericht op naleving van de wettelijke duurzaamheidseisen voor vaste biomassa.

Aan dit verzoek lagen onder meer bevindingen van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) ten grondslag, waaruit blijkt dat de duurzaamheid en herkomst van biomassa niet in alle gevallen afdoende kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de Minister dit handhavingsverzoek niet in behandeling genomen, stellende dat CSL geen belanghebbende zou zijn bij de subsidieverlening.

CSL heeft tegen dit besluit tijdig bezwaar gemaakt.

3. Ontvankelijkheid en connexiteit
Het verzoek om voorlopige voorziening is connex aan het ingediende bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2026. Aan de vereisten van artikel 8:81 Awb is derhalve voldaan.

3.1 Belanghebbendheid CSL
Ondanks de aparte brief van RVO van 23 januari 2026 geldt dat CSL belanghebbende is voor de beoordeling van dit verzoek. Dit volgt uit:
Artikel 1:2, derde lid, Awb: rechtspersonen kunnen belanghebbende zijn voor besluiten die hun statutaire en feitelijke milieubelangen raken, ook als zij niet direct partij zijn bij het economische of subsidiedossier.

Jurisprudentie over milieuorganisaties: herhaaldelijk is door de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd dat milieuorganisaties rechtmatig als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als hun kernactiviteiten of statutaire doelen raken aan milieu-uitstoot, biodiversiteit, en volksgezondheid (zie bijvoorbeeld ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1572).

Effect van subsidies op milieu en klimaat: de subsidieverlening aan RWE leidt tot feitelijke emissies en landgebruik die rechtstreeks de milieubelangen van CSL raken. Het verband tussen de subsidie en het milieu-effect is derhalve voldoende direct en onlosmakelijk, zodat CSL in juridische zin als belanghebbende kan optreden.

De stelling van RVO dat CSL geen belanghebbende zou zijn, miskent deze juridische uitgangspunten en vormt geen belemmering voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Spoedeisend belang
4.1 Algemeen spoedeisend belang
CSL heeft een spoedeisend belang bij dit verzoek, omdat de subsidieverlening en -uitbetaling aan RWE onverminderd doorgaan, terwijl ernstige en onderbouwde twijfels bestaan over de rechtmatigheid daarvan. Iedere verdere subsidie-uitbetaling leidt tot:
voortzetting van mogelijk onomkeerbare milieuschade;
besteding van aanzienlijke publieke middelen; verdere feitelijke verankering van een situatie die achteraf mogelijk onrechtmatig blijkt.

4.2 Bevindingen NEa en structurele onzekerheid duurzaamheid
Uit onderzoek en signalen van de NEa blijkt dat het huidige systeem van certificering en controle van vaste biomassa kwetsbaarheden kent, met name waar het gaat om traceerbaarheid, handhaving en risico’s op niet-duurzame herkomst. Deze bevindingen versterken de twijfel of in de praktijk wordt voldaan aan de wettelijke duurzaamheidscriteria.

4.3 Verval uitzonderingspositie Green Gold Label per 1 januari 2026
Het spoedeisend belang wordt verder en zelfstandig versterkt door het feit dat de juridische grondslag voor het gebruik van het certificeringsschema Green Gold Label (GGL) per 1 januari 2026 is vervallen, terwijl subsidieverlening op basis van dit schema wordt voortgezet.

Per 1 januari 2026 moet de duurzaamheid van vaste biomassa binnen de SDE++-regeling worden aangetoond in overeenstemming met artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001 (RED II), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413 (RED III). Op grond van artikel 30 RED mag dit uitsluitend gebeuren via vrijwillige certificeringsregelingen die formeel door de Europese Commissie zijn erkend.(*)

Deze verplichting is in Nederland geïmplementeerd via het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen en de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, die binnen de SDE++- regeling worden toegepast. (**)

Het Green Gold Label is geen door de Europese Commissie erkend RED-certificeringsschema. Hoewel dit schema in eerdere jaren op basis van nationale afspraken werd geaccepteerd, geldt sinds 1 januari 2026 geen overgangsregeling meer die het gebruik van niet-erkende schema’s toestaat.
Daarmee ontbreekt vanaf die datum een rechtsgeldige basis om GGL-certificaten te gebruiken als bewijs dat biomassa voldoet aan de wettelijke duurzaamheidscriteria. Desondanks worden subsidies voortgezet.

Dit betekent dat:
subsidieverlening en -uitbetaling plaatsvinden zonder geldig erkend duurzaamheidsbewijs;
sprake is van gerede twijfel aan de rechtmatigheid van het handelen van verweerder;
elke verdere betaling het risico vergroot van onrechtmatige besteding van publieke middelen.
Dit levert een zwaarwegend en actueel spoedeisend belang op dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

5. Rechtmatigheidstoets
5.1 Zorgvuldigheids- en legaliteitsbeginsel
Door subsidies voort te zetten terwijl:
ernstige twijfels bestaan over de naleving van duurzaamheidscriteria (NEa); en de gebruikte certificering sinds 1 januari 2026 niet meer wettelijk toelaatbaar is, handelt verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb) en het legaliteitsbeginsel.

6. Belangenafweging
Het belang van CSL en het algemene belang bij bescherming van milieu en rechtmatige besteding van publieke middelen weegt zwaarder dan het financiële belang van RWE bij voortzetting van subsidie-uitbetalingen gedurende de bezwaarprocedure.

Een tijdelijke opschorting is bovendien omkeerbaar, terwijl voortzetting van subsidies gepaard gaat met onomkeerbare effecten.

7. Conclusie en verzoek
Gelet op het voorgaande verzoekt CSL de voorzieningenrechter:
▪ een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot opschorting van verdere SDE++ subsidie-uitbetalingen voor het gebruik van vaste biomassa door RWE Nederland;
▪ althans een andere passende voorlopige maatregel te treffen;
▪ verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Hoogachtend,
Dr. Fenna Swart, voorzitter
Drs. Maarten Visschers, bestuurslid
Stichting Comité Schone Lucht

Referenties
(*) Artikelen 29 en 30 Richtlijn (EU) 2018/2001 (RED II), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413 (RED II).
(**) Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen (Stb. 2017, 489) en Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen (Stcrt. 2017, 69379).