Schriftelijke vragen van het lid Teunissen (Partij voor de Dieren) aan de minister van Klimaat en Groene Groei en de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de rol van RWE en de tekortkomingen in het Nederlandse toezicht op gesubsidieerde houtige biomassa uit Maleisie
1. Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel en de Zembla-uitzending op 10 september 2026 over de import en verbranding van houtpellets, waarin misstanden in de biomassaketen en rond het NEa toezicht op houtpellets uit Maleisië voor RWE worden aangetoond?
2. Erkent u dat het handhavingsverzoek van Comité Schone Lucht aanleiding was voor nader onderzoek door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) naar de certificering en herkomst van Maleisische houtpellets? Kunt u aangeven welke signalen door de NEa zijn bevestigd, niet bevestigd of nader onderzocht?
3. Welke concrete maatregelen zijn genomen naar aanleiding van de bevindingen, en welke daarvan hebben geleid tot aanvullende controles, aanpassing van toezicht, handhaving of wijziging van beleid?
4. De NEa wijst op tekortkomingen bij Green Gold Label (GGL), in certificering in de afbakening van categorie 5-biomassa, een sterke afhankelijkheid van zelfverklaringen en een inherente zwakte wanneer certificaathouders stoppen voordat een volgende audit plaatsvindt. Deelt u de zorg dit systeem onvoldoende zekerheid biedt over duurzaamheid en herkomst van gesubsidieerde biomassa? Zo nee, waarom niet?
5. Klopt het dat de private certificeringsinstelling die de pelletproducent controleert, wordt betaald door de onderneming die zij certificeert? Welke waarborgen bestaan om te voorkomen dat deze financiële relatie de onafhankelijkheid, diepgang of kritische aard van de controle beïnvloedt?
6. Acht u het verantwoord dat grote bedragen aan publieke subsidie worden uitgekeerd op basis van een systeem waarin een belangrijk deel van de normtoetsing en controle privaat is georganiseerd? Bent u bereid onafhankelijke publieke controle op feitelijke grondstof, classificatie en herkomst verplicht te stellen?
7. Bent u bekend met de zienswijze van RWE van december 2025, waarin RWE stelt dat het concept van het NEa-rapport onduidelijkheden en onjuistheden bevat, vóór publicatie inhoudelijk overleg verlangt en daarnaast vraagt om leveranciersnamen, tonnages aan houtpellets en percentages niet openbaar te maken?
8. Klopt het dat de NEa RWE vervolgens expliciet heeft meegedeeld dat de zienswijzeprocedure uitsluitend gevolgen mocht hebben voor de openbaarmaking en niet voor de inhoud of conclusies van het rapport?
9. Klopt het dat daarna tussen NEa en het ministerie KGG is besproken of RWE tegemoet kon worden gekomen door bijvoorbeeld alleen percentages van geïmporteerde houtpellets in plaats van absolute tonnages openbaar te maken, waarna een nieuwe rapportversie circuleerde met de mededeling ‘Aanpassingen percentages’ en vervolgens een ‘laatste versie’ met relatieve verdeling van leveringen?
10. Kunt u verklaren waarom de absolute tonnages aan houtpelets die in de versie vóór de zienswijze stonden, in de uiteindelijk gepubliceerde versie op de betreffende plaatsen zijn vervangen door relatieve percentages? Welke rol hebben de zienswijze van RWE en het daaropvolgende overleg daarbij gespeeld?
11. Kunt u uitsluiten dat RWE, rechtstreeks of via NEa, KGG of RVO, invloed heeft gehad op de inhoudelijke formulering, presentatie, detaillering of conclusies van het rapport van NEa? Kunt u de Kamer een volledig overzicht geven van alle relevante contacten hierover?
12. Uit de Woo-stukken blijkt een omvangrijke versiegeschiedenis van het NEa-rapport, met onder meer V3, V5, V7, V8, V9, V10 en V11 en latere versies die worden aangeduid als ‘definitief’, ‘laatste’, ‘juiste’ en ‘meest aangepaste’ versie. Waarom zijn niet alle aantoonbaar bestaande versies als zelfstandig bronbestand openbaar gemaakt?
13. Klopt het dat juist de Word-versie van 7 januari 2026, waarin volgens de begeleidende e-mail de percentages zijn aangepast, niet als volledig oorspronkelijk bestand is verstrekt? Zo ja, waarom niet?
14. Bent u bereid alle nog aanwezige oorspronkelijke Word-bestanden, Content Managerbestanden, versiegeschiedenis, beschikbare metadata en auditlogs van het NEa-rapport openbaar te maken, voor zover de Woo dit toelaat?
15. Zijn sinds de start van het NEa-onderzoek documenten, conceptversies, e-mails, bijlagen of andere relevante gegevens verwijderd, overschreven, vernietigd of anderszins niet meer beschikbaar? Zo ja, welke, wanneer, door wie en op grond van welk bewaarbeleid?
16. Bij de openbaar gemaakte Woo-documenten ontbreken de massabalansen van de onderzochte Maleisische houtpelletsproducenten, terwijl deze masssabalansen volgens de NEa wel zouden zijn onderzocht. Bent u bereid deze massabalansen alsnog te verstrekken?
17. Klopt het dat de Nederlandse import van houtpellets in 2025 met ongeveer 400.000 ton is toegenomen ten opzichte van 2024 en dat Nederland in 2025 inmiddels meer houtpellets uit Azië importeerde dan uit de Verenigde Staten?
18. Klopt het dat de import uit Azië in 2025 meer dan verdubbelde, dat de import uit Thailand en Estland zeer sterk toenam en dat de import uit de Verenigde Staten en Canada juist fors daalde? Kunt u de cijfers per herkomstland voor 2024 en 2025 aan de Kamer verstrekken?
19. Heeft u onderzocht waarom de Nederlandse pelletimport zo snel verschuift naar nieuwe herkomstlanden? Kunt u daarbij ingaan op prijs, beschikbaarheid, subsidiabiliteit, certificering en mogelijke verschillen in toezicht en duurzaamheidsrisico’s?
20. Welke aanvullende publieke controles vinden plaats op houtpellets uit landen waarvan de export naar Nederland plotseling sterk groeit, waaronder Thailand en Vietnam? Wordt daarbij ook de feitelijke herkomst van het hout gecontroleerd en niet uitsluitend de administratieve certificering?
21. Hoeveel SDE+- en SDE++-subsidie is tot op heden daadwerkelijk aan RWE uitgekeerd voor het verbranden van houtige biomassa, uitgesplitst naar centrale en jaar, en hoeveel kan op grond van bestaande beschikkingen nog maximaal worden uitgekeerd?
22. Bent u bereid de door de NEa zelf geconstateerde systeemzwaktes, tekortkomingen van certificeringen en de nieuwe informatie uit de Zembla-uitzending, onafhankelijk te laten toetsen of voor alle relevante biomassastromen daadwerkelijk aan de subsidievoorwaarden is voldaan en betalingen op te schorten wanneer daarover onvoldoende zekerheid bestaat?
23. Welke consequenties trekt u uit het feit dat Comité Schone Lucht en andere maatschappelijke organisaties via eigen onderzoek ernstige signalen over herkomst, classificatie en certificering moesten aandragen die niet eerder door het reguliere publieke en private toezicht waren onderkend? Bent u bereid geen nieuwe financiële stimulering voor grootschalige houtverbranding of BECCS toe te kennen zolang de fundamentele problemen rond herkomst, classificatie, certificering en toezicht niet aantoonbaar zijn opgelost?
24. In hoeverre zal naar uw mening het van kracht zijn van de Europese Ontbossingswet (EUDR) per januari 2027 verbetering brengen in het toezicht op de import van houtpellets van buiten Europa? Vindt de bewijslast en verificatie hierbij alleen plaats op basis van certificering? In hoeverre wordt de volledige bewijslast en verificatie bij de EUDR transparant en voor iedereen toegankelijk gepubliceerd?
25. Bent u van mening dat financiële stimulering alleen aan écht hoogwaardige toepassing van houtpellets in het kader van een circulaire economie dient plaats te vinden en niet aan verbranding voor energieopwekking en niet aan BECCS?
26. Welke bosbeschermingsmaatregelen geven volgens u daadwerkelijke bescherming aan bossen, in vergelijking met de maatregel certificering van houtpellets?
27. Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?